Eén voordeel van kleinkinderen is dat je regelmatig nieuwigheden leert ontdekken. ‘Reversed coaching’ heet dat in HR. Tijdens een autorit naar zee leerde mijn kleindochter Lucille me het hoorspel ‘De Reisgenoot’ kennen. Een audio-productie waaraan gerenommeerde acteurs en actrices meewerkten zoals Warre Borgmans, Tine Reymer, Gène Bervoets, Koen De Bouw, Viviane De Muynck, Koen Van Impe en Peter van den Eede. In dit hoorspel zit ook een ‘catchy’ liedje over werk dat regelmatig terugkomt, weliswaar met een andere beroep in de kijker:
Toppie. Toppie. Deze job is toppie!
De satisfactieradius maakt happy in het koppie
Toppie. Toppie. Deze job is toppie!
Begrafenisondernemer ’t is een job maar ook een hobby.
Dit liedje zou je zo kunnen leiden naar het boekpareltje ‘Happy@Work’ van managementcoach Bart De Bondt… En dan moet je dit boekje zeker lezen! Het bevat immers recepten om burn out, onwelzijn op het werk en vrijwillig verloop te voorkomen… Maar mij deed het rijmpje van dit liedje onmiddellijk aan Hubert (Oppy) Opperman denken, wiens biografie ik na tientallen jaren zoeken eindelijk te pakken kreeg. Opperman?! Wellicht zegt die naam jou niets… Maar toch is hij één van mijn echte idolen omdat hij twee van mijn passies namelijk de koers en de arbeidsmarkt in zijn loopbaan combineerde maar op een veel hoger maatschappelijk niveau. Hubert Opperman (°1904-✝1996) is vooreerst één van de beste Australische wielrenners ooit: meervoudig nationaal kampioen, winnaar van de Bol d’Or, een 24 uren-race in Parijs, van de klassieker Parijs-Brest-Parijs (1200 km) en van Dwars door Australië (4854 km), succesvolle deelnemer aan de loodzware Tour de France 1928 en houder van méér dan 100 wereldrecords op de lange afstand. Hij zorgde voor de professionalisering van het wielrennen in zijn continent, gaf jonge renners een kans en stimuleerde als voorzitter van Audax Australia het wielertoerisme. Na zijn koerscarrière stapte Oppy in de politiek en werd hij minister van Arbeid en Immigratie. In deze functie maakte hij –wellicht ook onder invloed van zijn internationale wielercarrière – komaf met het ‘witte Australië”. Hij hervormde het immigratiebeleid zodat buitenlands talent en diversiteit een plaats kregen op de Australische arbeidsmarkt. Afkomst en talent waren voor hem geen tegengestelde begrippen, wel integendeel. Hij geloofde dat diversiteit een noodzakelijke troef was voor de verdere ontwikkeling van Australië. De volkssport die het wielrennen is, zorgde er ook voor dat hij zijn ganse loopbaan direct bij en tussen de mensen bleef staan. Zijn biografie heet dan ook ‘Pedals, Politics, and People’ en leert je eveneens dat zijn dubbele loopbaan gekenmerkt werd door steeds dezelfde waarden ‘fairness’, ‘volharding’, ‘openheid’ en ‘verantwoordelijkheid’. Hubert Opperman was een bijzonder rechtlijnige man.
Oppy is dus echt Toppie! Bij hem was beroepsrenner of minister van werk niet enkel een job maar ook een hobby. Ik hoop dat jullie als HRM dit ook voor jullie beroep kunnen zingen, maar vooral dat jullie ervoor zorgen dat bij jullie medewerkers en collega’s de satisfactieradius goed zit in hun koppie!
maandag 3 juli 2017
maandag 12 juni 2017
Grijze pakken-robots of kleurrijke talenten?
Ettelijke blogteksten, beleidsadviezen en speeches heb ik reeds gewijd aan het promoten van meer openheid op de arbeidsmarkt voor mensen met ‘een kleurtje’. Ik bepleit dan steevast dat sollicitanten met een migratieachtergrond een verrijking zijn voor bedrijven en dus minstens evenveel of, gezien we op dat vlak een aanzienlijke achterstand in te halen hebben, zelfs méér kansen zouden moeten krijgen om onze bedrijven kleur te geven en wat ik de ‘grijze pakkendans’ noem te doorbreken. Maar er is nog een andere soort van huidskleur die nog steeds onterecht tegen heel wat weerstand oploopt. Sollicitanten met tattoos hebben het ook de dag van vandaag vaak niet onder de markt om een uitdagende job te vinden. Zeker als deze tattoos moeilijk te verstoppen zijn voor de klant kiezen werkgevers bijna altijd voor een kandidaat zonder huidkleuringen.
Er zijn natuurlijk tattoos die voor sommige beroepen ongepast kunnen zijn… Zo zag ik onlangs een fragment van het programma ‘Tattoo Fixers’ waarin een ex-soldaat die zich geheroriënteerd had tot ambulancier zijn armtattoo wou laten bedekken met een meer gepast exemplaar. Hij had namelijk in zijn legertijd een enorme ‘Pietje De Dood’ op zijn onderarm laten zetten…
Maar net zoals kleding zijn tattoos in regel niet gevaarlijk noch onveranderlijk. Het enige ‘kwaad’ dat ze kunnen doen is dat ze ongevraagd een stuk van de persoonlijkheid van de drager weggeven (Had ik trouwens al gezegd dat ik zelf een tattoo heb op mijn arm? Om van het volgetatoeëerde lijf van mijn zoon of de estetische tattoos van mijn dochter nog maar te zwijgen). Wat deze discriminatie tegen tattoos dus in essentie weergeeft is dat nog steeds veel bedrijven niet willen dat hun medewerkers hun persoonlijkheid tonen in het bedrijf en aan de klanten. Klaarblijkelijk willen onze bedrijven liever grijze pakken die hun persoonlijkheid en emoties ‘s morgens achterlaten aan de ontbijttafel, en zich doorheen de dag ‘professioneel’ gedragen tot ze terug zijn uitgebatcht.
Deze achterhaalde invulling van professionaliteit als een soort karakteriële robotisering is niet meer van deze tijd. Als alle klanten bediend zouden willen worden door grijze robots, zouden er al tientallen jaren geen kassiersters en barmannen meer zijn maar enkel automaten. Wat de klant van vandaag wil is net die menselijkheid, een kwinkslag of een oprechte verontschuldiging, maar vooral begrepen worden als mens met een behoefte en een oplossing aangereikt krijgen die geen eenheidsworst is maar waar karakter uit spreekt.
Natuurlijk is de robotisering in meer en meer sectoren in opkomst. In vele supermarkten zijn er naast de klassieke kassa’s ook doe-het-zelf kassa’s geplaatst. Binnenkort zullen klanten die dat wensen in sommige supermarkten dankzij een smartphone app gewoon alles uit de rekken kunnen nemen en betalen ze automatisch als ze de winkel buitengaan. Zo werkt ook VDAB hard aan een laagdrempelige online-dienstverlening, omdat deze voor veel van onze klanten de grootste behoeften af kan dekken. Maar dat doen we om juist meer tijd en kansen te geven aan onze bemiddelaars en instructeurs om karakter te geven aan de begeleiding en opleiding van zij die we niet online kunnen verder helpen. In deze 21ste eeuw, naarmate de robotisering en automatisering zich zal doorzetten, wordt het voor bedrijven net extra belangrijk om zo weinig mogelijk ‘grijze pakken’-robots in dienst te hebben en daarentegen zoveel mogelijk kleurrijke talenten karakter te laten geven aan hun dienstverlening. Liever een medewerker met een schilderijtje én een verhaal dan een kleurloos figuur! Wil je het scorend vermogen van jouw organisatie verhogen, werf dan je eigen “Nainggolan”, “Alderweireld”, “Messi” of “Neymar” aan.
Er zijn natuurlijk tattoos die voor sommige beroepen ongepast kunnen zijn… Zo zag ik onlangs een fragment van het programma ‘Tattoo Fixers’ waarin een ex-soldaat die zich geheroriënteerd had tot ambulancier zijn armtattoo wou laten bedekken met een meer gepast exemplaar. Hij had namelijk in zijn legertijd een enorme ‘Pietje De Dood’ op zijn onderarm laten zetten…
Maar net zoals kleding zijn tattoos in regel niet gevaarlijk noch onveranderlijk. Het enige ‘kwaad’ dat ze kunnen doen is dat ze ongevraagd een stuk van de persoonlijkheid van de drager weggeven (Had ik trouwens al gezegd dat ik zelf een tattoo heb op mijn arm? Om van het volgetatoeëerde lijf van mijn zoon of de estetische tattoos van mijn dochter nog maar te zwijgen). Wat deze discriminatie tegen tattoos dus in essentie weergeeft is dat nog steeds veel bedrijven niet willen dat hun medewerkers hun persoonlijkheid tonen in het bedrijf en aan de klanten. Klaarblijkelijk willen onze bedrijven liever grijze pakken die hun persoonlijkheid en emoties ‘s morgens achterlaten aan de ontbijttafel, en zich doorheen de dag ‘professioneel’ gedragen tot ze terug zijn uitgebatcht.
Deze achterhaalde invulling van professionaliteit als een soort karakteriële robotisering is niet meer van deze tijd. Als alle klanten bediend zouden willen worden door grijze robots, zouden er al tientallen jaren geen kassiersters en barmannen meer zijn maar enkel automaten. Wat de klant van vandaag wil is net die menselijkheid, een kwinkslag of een oprechte verontschuldiging, maar vooral begrepen worden als mens met een behoefte en een oplossing aangereikt krijgen die geen eenheidsworst is maar waar karakter uit spreekt.
Natuurlijk is de robotisering in meer en meer sectoren in opkomst. In vele supermarkten zijn er naast de klassieke kassa’s ook doe-het-zelf kassa’s geplaatst. Binnenkort zullen klanten die dat wensen in sommige supermarkten dankzij een smartphone app gewoon alles uit de rekken kunnen nemen en betalen ze automatisch als ze de winkel buitengaan. Zo werkt ook VDAB hard aan een laagdrempelige online-dienstverlening, omdat deze voor veel van onze klanten de grootste behoeften af kan dekken. Maar dat doen we om juist meer tijd en kansen te geven aan onze bemiddelaars en instructeurs om karakter te geven aan de begeleiding en opleiding van zij die we niet online kunnen verder helpen. In deze 21ste eeuw, naarmate de robotisering en automatisering zich zal doorzetten, wordt het voor bedrijven net extra belangrijk om zo weinig mogelijk ‘grijze pakken’-robots in dienst te hebben en daarentegen zoveel mogelijk kleurrijke talenten karakter te laten geven aan hun dienstverlening. Liever een medewerker met een schilderijtje én een verhaal dan een kleurloos figuur! Wil je het scorend vermogen van jouw organisatie verhogen, werf dan je eigen “Nainggolan”, “Alderweireld”, “Messi” of “Neymar” aan.
vrijdag 2 juni 2017
Vinkenzetting
De vinkenzetting behoort tot het Vlaams ‘cultureel’ erfgoed
en dateert uit de Middeleeuwen. De vinken werden in afzonderlijke kooien gezet,
geblindeerd door melkglas, zodat ze niet door de buitenwereld konden worden
afgeleid. Zo was de vink in staat om zoveel mogelijk deuntjes te ‘schuifelen’…
Het ging zelfs zo ver dat de vinken echt blind werden gemaakt zodat ze zeker
niet de invloed van buitenaf zouden ondervinden… De winnende vinkenier was hij
die zoveel mogelijk liedjes had geturfd…
Vandaag duikt de vinkenzetting terug op in het management,
in elk geval bij publieke organisaties. De afvinkcultuur is wijd en zijd
verspreid… Zo moet de overheidsmanager verschillende aparte kooitjes opvolgen, elk
met een eigen deuntje. En hij wordt pas een goede manager bevonden indien alle
deuntjes zijn aangevinkt en opgeteld: risicobeheer, klachtenmanagement,
kwaliteitsbeleid, bedrijfscontinuïteit, diversiteit , welzijnsbeleid,
veiligheidsbeleid, horizontaal integratiebeleid, gelijke kansen, integriteit,
privacy, prestatiebegroting, activity based management, business proces management,
energie-performantie, duurzame ontwikkeling, personeelskostenbeheer, preventie
inzake radicalisering, personeelsbevragingen, monitoring tabellen,
communicatiebeleid, beleidsplan, personeelsplan, jaarlijks ondernemingsplan,
meerjarenbegrotingsprognose, scorecard, functionerings- en evaluatiegesprekken,
auditplanning, …
Al deze kooitjes hebben hun eigen legitimiteit maar worden
naast mekaar geplaatst en op de schouders van de overheidsmanager afgewenteld…
Het gevolg is dat deze inderdaad het risico loopt om zelf een blinde vink te
worden want in al die kooitjes is er geen plaats voor de eindklant. Alles wordt
immers hoofdzakelijk bekeken vanuit de invalshoek van de eigen organisatie,
volledig “inside-in”… Goed bedoeld maar hierin schuilt het grote gevaar. De
buitenwereld komt niet direct aan bod en nochtans liggen daar de uitdagingen
voor organisaties in een VUCA-wereld.
Elke leidinggevende moet daarom luisteren en blijven
luisteren als een vink naar de verwachtingen en bekommernissen van zijn
klanten. Daarom benadruk ik dat de kernelementen van de rol van de CEO van
vandaag te maken hebben met “Co-creation”, “Empowerment” en “Outside-in”. Die
kernbegrippen krijgen pas inhoud door zelf ruimte te creëren voor rechtstreekse
contacten met klanten. Alleen zo kan je hun polsslag voelen en je organisatie
sturen in functie van hun verwachtingen. Managers die constant bezig zijn met
processen, procedures, verplichtingen, … af te vinken, worden zelf in een
kooitje geduwd, met een eentonig deuntje en door anderen, maar niet hun
klanten, afgevinkt! Ze vormen bovendien een rem voor hun medewerkers om te
ondernemen, te innoveren, zich wendbaar op te stellen, tijd vrij te maken voor
klanten… Zo fnuiken ze hun medewerkers in plaats van hen de vleugels te geven
om uit hun kooitjes te vliegen.
dinsdag 2 mei 2017
De kracht van een klacht
Bij het binnenstappen van een Indisch textielbedrijfje zag ik eens volgende leuze boven de toonbank hangen; "customer complaints are the schoolbooks from which we learn”. Op het eerste zicht ben je wat verbaasd als je zo’n onthaalslogan leest maar bij nader inzien is dit juist de grootste blijk van klantvriendelijkheid, transparantie én respect. Dit kleine bedrijf stond helemaal niet negatief tegenover klanten met klachten maar greep juist deze gelegenheden aan om iets bij te leren en de dienstverlening te verbeteren. Toen ik de gerant hierover aansprak bleek dat hij zelfs een “policy” had ten aanzien van de zogenaamde professionele klagers. Als er te veel van deze klagers over de deurmat stapten, betekende dit dat het bedrijf onvoldoende duidelijk was in verband met zijn waarden, klantenprincipes en imago ten aanzien van de buitenwereld. Ook de verwijzing in de leuze naar de schoolcontext was een bewuste zet. Daarmee gaf men immers aan dat het een aangeleerde houding van de medewerkers moet zijn om te luisteren naar de klant op een respectvolle manier en dat dit dus een onderdeel is van een goede vorming.
Dit Indisch bedrijf leert ons eigenlijk een lesje! Nog al te dikwijls hebben immers onze organisaties – ook de publieke - het moeilijk met klachten van klanten. Het is alsof de klagers steeds twijfelen aan de goede bedoelingen van de betrokken organisatie. Daarom gaan we snel defensief, vergoelijkend of soms zelfs negerend of weinig uitnodigend reageren. Daardoor hebben klachtenmanagers en –behandelaars het ook vaak niet onder de markt in hun organisatie. Ze zouden immers te sterk aanleunen bij de klager en niet bij de eigen organisatie.
Nochtans is elke klacht een enorm opportuniteit voor elke organisatie. Ofwel is de klacht gegrond en dan biedt deze de mogelijkheid om de dienstverlening te verbeteren, daardoor zowel verloren als nieuwe klanten te winnen, alsook de positie en het imago van de organisatie te versterken. Ofwel is de klacht ongegrond en dan biedt ze de opportuniteit om op een onderbouwde en respectvolle manier de dialoog met de klant aan te gaan, een verkeerde perceptie bij te stellen en het vertrouwen te herwinnen.
We mogen dus geen bang hebben van klachten noch van kritiek maar moeten deze “omarmen” als mogelijkheden om onze dienstverlening, onze organisatie te verbeteren. Veel erger is het om klanten en kritiek dood te zwijgen of weg te moffelen want dan ben je geen mature, transparante en waardegebonden organisatie. En even erg is om geen kritiek of klachten te ontvangen want dan ben je een dode organisatie.
Niet relevant voor HR? Wel in mijn organisatie gaat het merendeel van de interne klachten over human resources en van de externe klachten over human relations… Zonder een open, transparant en professioneel klachtenmanagement zouden we snel vervreemden van onze – interne en externe –klanten! Daarom proberen we de kracht van een klacht echt te benutten en van de klager een drager te maken.
Dit Indisch bedrijf leert ons eigenlijk een lesje! Nog al te dikwijls hebben immers onze organisaties – ook de publieke - het moeilijk met klachten van klanten. Het is alsof de klagers steeds twijfelen aan de goede bedoelingen van de betrokken organisatie. Daarom gaan we snel defensief, vergoelijkend of soms zelfs negerend of weinig uitnodigend reageren. Daardoor hebben klachtenmanagers en –behandelaars het ook vaak niet onder de markt in hun organisatie. Ze zouden immers te sterk aanleunen bij de klager en niet bij de eigen organisatie.
Nochtans is elke klacht een enorm opportuniteit voor elke organisatie. Ofwel is de klacht gegrond en dan biedt deze de mogelijkheid om de dienstverlening te verbeteren, daardoor zowel verloren als nieuwe klanten te winnen, alsook de positie en het imago van de organisatie te versterken. Ofwel is de klacht ongegrond en dan biedt ze de opportuniteit om op een onderbouwde en respectvolle manier de dialoog met de klant aan te gaan, een verkeerde perceptie bij te stellen en het vertrouwen te herwinnen.
We mogen dus geen bang hebben van klachten noch van kritiek maar moeten deze “omarmen” als mogelijkheden om onze dienstverlening, onze organisatie te verbeteren. Veel erger is het om klanten en kritiek dood te zwijgen of weg te moffelen want dan ben je geen mature, transparante en waardegebonden organisatie. En even erg is om geen kritiek of klachten te ontvangen want dan ben je een dode organisatie.
Niet relevant voor HR? Wel in mijn organisatie gaat het merendeel van de interne klachten over human resources en van de externe klachten over human relations… Zonder een open, transparant en professioneel klachtenmanagement zouden we snel vervreemden van onze – interne en externe –klanten! Daarom proberen we de kracht van een klacht echt te benutten en van de klager een drager te maken.
donderdag 23 maart 2017
Nieuwe vaardigheden, oude krampen
Onze samenleving en dus ook onze economie en arbeidsmarkt staan voor een reusachtige transformatie. Door de digitalisering, robotisering en technologische veranderingen zal meer en meer mensenwerk door machines gebeuren. Maar zal ook elke job in de toekomst van inhoud verschillen. “Werk” zal veranderen, te meer omdat deze ontwikkelingen ook gepaard gaan met (deels) nieuwe economische segmenten die ontstaan zoals de deeleconomie, de kringloopeconomie en de zorgeconomie. Daarom moeten we de werknemers van morgen beter voorbereiden op deze VUCA-omgeving en hen de 21ste eeuwse vaardigheden bijbrengen die hen beter gewapend maken om met deze constante en grondige veranderingen om te gaan.
Het Nederlandse Kennisnet heeft een interessant competentiemodel uitgewerkt om ervoor te zorgen dat het onderwijs inzet op die nieuwe vaardigheden zoals computational thinking, kritisch denken, informatievaardigheden, probleemoplossend denken, communicatief en connecterend vermogen, mediawijsheid, zelfsturing, samenwerkingszin,... Die vaardigheden zullen het DNA van de werknemer van de toekomst uitmaken… Die vaardigheden zijn nodig voor de jongeren van nu die regelmatig hun job zullen zien veranderen en van carrière zullen switchen, die langer moeten werken dan de vorige generaties…
De vraag stelt zich of onze “sociale“ infrastructuur ook klaar staat om deze transformatie te ondersteunen en faciliteren… Ik vrees van niet… helaas! De beleidsmaatregelen van de diverse overheden, de afspraken tussen de sociale partners en onze cultuur rond ‘werk’ zijn niet VUCA-proof. Ze zitten vastgeplakt aan oude paradigma’s en systeemantwoorden die de voorbije eeuw performant waren maar meer en meer hun betekenis verliezen. Zo moeten we ons afvragen of onze sociale dialoog-infrastructuur met tientallen paritaire comités, sectorinstellingen en opleidingsfondsen, die samenhangen met het beeld van een Tayloristisch georganiseerde arbeidsmarkt, niet achterhaald en moet ingeruild worden voor het beeld van een arbeidsmarkt die meer wendbaarheid, dynamiek en transitionaliteit vraagt… Zo ook moeten we ons afvragen of ons onderwijs-en opleidingsbeleid op alle niveaus al gericht is op het bijbrengen van de 21ste eeuwse vaardigheden of nog werkt met leerdoelstellingen en eindtermen van de vorige eeuw… Of dringt de vraag zich op of ons arbeidsrecht en sociale zekerheidssysteem al geënt zijn op het paradigma van loopbaanzekerheid of nog vastklampen aan jobzekerheid… En of loopbaanbeleid het kloppend hart is van elk HR-beleid zoals Prof. Ans De Vos stelt of vertrekt ons HR nog altijd vooral van een formalistisch, top down klassiek personeelsbeheer? Waarom zijn nog heel wat voorzieningen, maatregelen en praktijken “doelgroepgebonden” en komt dit de diversiteit van talenteninzet niet ten goede? Hoe zit het met het introduceren van een nieuwe leercultuur die steunt op gedeelde verantwoordelijkheid van alle betrokken actoren en die niemand uitsluit? Kunnen we de overstap maken van een hoofdzakelijk schools leermodel naar een gemengd leren en werken model?
Als je deze en andere gelijkaardige vragen stelt, zie je helaas te veel krampachtige reacties die leiden naar collectieve en individuele krimpscenario’s. Vasthouden aan wat was, zal ons niet doen groeien! Tijd om ons te smijten op de VUCA-uitdagingen met ons palet aan 21ste eeuwse vaardigheden.
vrijdag 10 februari 2017
Spiegeltje, spiegeltje...
“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand… Wie is de meest diverse
organisatie van het land?”… De spiegel moest zo hard nadenken over deze vraag
dat hij in duizenden stukjes barstte. Geen wonder want qua diversiteit scoren
we zeer slecht op de arbeidsmarkt en in onze arbeidsorganisaties.
Personen met
beperkingen of met een migratie-achtergrond en 55-plussers zijn
oververtegenwoordigd in de werkloosheid en inactiviteit en
ondervertegenwoordigd in het arbeidsproces. Vrouwen botsen nog steeds op glazen
muren en plafonds… We krijgen dan ook regelmatig negatieve rapporten van de
Europese Commissie en de OESO over ons gebrekkig diversiteitsbeleid. Onze
arbeidsmarkt is bijlange geen afspiegeling van de bevolking en dat is niet alleen
maatschappelijk onwenselijk omdat je zo geen gelijke kansen-samenleving creëert
maar ook economisch; uit Noord-Amerikaans onderzoek blijkt immers dat een
divers personeelsbestand samengaat met een grotere bedrijfsperformantie, meer
innovatie en een grotere wendbaarheid.
Waarom is onze arbeidsmarkt dan zo gekenmerkt door een persistente
onevenredige arbeidsdeelname van deze kansengroepen? Durven we in de spiegel te
kijken en de juiste vragen te stellen hoe dit komt? Zoals de vraag of onze
wereld van wervings-, selectie- en HR-verantwoordelijken zelf wel genoeg divers
is om de kracht van diversiteit ten volle te kunnen inschatten. Zit er
voldoende kleur aan die kant van de tafel? Moeten we hier niet beginnen met het
afspiegelingsprincipe te introduceren? Of de vraag of onze klassieke wervings-
en rekruteringskanalen wel de beoogde diversiteitsgroepen effectief kunnen bereiken
dan wel leiden tot nog meer kloning van het personeelsbestand? In elk geval een
advertentie met “wij staan open voor diversiteit” werkt niet!
Hebben we al werk
gemaakt van “outreachend” recruteren? Of de vraag of we niet vasthouden aan enkele
HR-ficties. Een eerste is dat er zoiets bestaat als een objectieve werving op
grond van diploma of competenties… Heeft immers niet iedereen unieke talenten
en competenties? Het is toch niet omdat je als leerling eenzelfde cijfer op
jouw rapport hebt als een andere leerling dat je “gelijke competenties” hebt… Snelheid
van antwoorden, betrokkenheid bij vraagstelling, invalshoek, gedachtengang…
kunnen immers grondig verschillen. Kan je wel ooit spreken van gelijke competenties…
in welk geval dan bijvoorbeeld in de overheid bij een leidinggevende functie de
voorkeur naar een vrouw moet uitgaan… of zijn vrouwelijke competenties niet sowieso
nodig en gewenst op elke niveau van een organisatie? Een andere fictie is dat competentiebeleid
vóór moet gaan op het diversiteits- en afspiegelingsbeleid… alsof beiden niet
kunnen samengaan én op eenzelfde voet moeten worden geplaatst. Het
binnenbrengen van diversiteit in een organisatie met weinig diversiteit is
immers een meerwaarde op zich die groter kan zijn dan de klassieke
competentiekloof tussen kandidaten, en een vaardigheid die de organisatie echt verrijkt!
Moet zelfs het afspiegelingsprincipe niet vooropstaan zolang een organisatie
sterk afwijkt van de bevolkingssamenstelling?
Dit soort en andere vragen moeten we open kunnen stellen en
durven beantwoorden. Anders vrees ik dat we nooit het afspiegelingsprincipe
kunnen realiseren en niet recht in onze diversiteitsspiegel kunnen kijken.
donderdag 19 januari 2017
Grexit
Bij de bekendmaking van het resultaat van het
Brexit-referendum kroop menig opiniemaker, beleidsverantwoordelijke of
bedrijfsleider met business-relaties in de UK in zijn of haar pen om te wijzen
op de drastische gevolgen van deze EU-uitstap voor de eigen economie,
arbeidsmarkt of organisatie. Een even grote ‘awareness’ lijkt er evenwel niet
te zijn voor de ‘grexit” die op ons afkomt en die een grotere impact zal hebben
dan de Brexit. Onze arbeidsmarkt zal immers de komende periode gekenmerkt worden
door de massale uittrede van grijs talent. Volgens een raming van het Steunpunt
Werk moesten er in de periode 2011-2015 ongeveer 300.000 vacatures ingevuld
worden, door de vergrijzing zou dit voor de periode 2016-2020, afhankelijk van
de conjunctuur, kunnen oplopen tot 370.000 à 410.000. Door de sterke uitstroom
van babyboomers en de geringere instroom van jongeren is de vervangingsgraad
bij de actieve bevolking sterk gedaald. Met een ratio van 98,9 in 2007 is de
instromende generatie jongeren (15-24) kleiner geworden dan de uitstromende
generatie ouderen (55-64). De ratio ‘jong/oud’ daalt de komende jaren verder
tot slechts 77,2 in 2022 en zal pas daarna geleidelijk weer toenemen maar
blijft volgens de lange termijn-projecties nog tot halfweg deze eeuw beneden
100. Het is evenwel niet enkel een kwantitatief vraagstuk voor de arbeidsmarkt,
ook de kwalitatieve mismatch zal toenemen omdat o.m. de STEM-gap tussen vraag
en aanbod nog dreigt te vergroten.
In die context kunnen we morgen geen enkel talent links
laten liggen en moeten we sterker inzetten op meerdere sporen: betere
aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, meer personen met een
migratie-achtergrond of beperking tewerkstellen, investeren in de creatie van
laaggeschoolde banen, inzetten op levenslang leren, verbreding en versterking
van het activeringsbeleid, etc … Maar we moeten ook de lessen trekken uit het
verleden en stoppen met 50-plussers vlug af te schrijven en buiten het
arbeidscircuit te duwen. We moeten hun langere inzet verwelkomen in het arbeidsmarktbeleid
en het HR-beleid in organisaties. Dit kan enkel indien we de vooroordelen tov
“oudere” werkzoekenden ombuigen naar voordelen verbonden aan “ervaren”
werknemers/werkzoekenden. Anita Stevens ontkracht in haar boek “De vintage
werknemer, hoe langere en anders werken?” op een treffende en concrete manier
de heersende vooroordelen.
Enkele van de belangrijkste vooroordelen tegenover oudere
werknemers zijn de hoge loonkosten waardoor het investeren in ouderen minder loont,
het hogere absenteïsme wegens ziekte en de geringere productiviteit,
flexibiliteit en leerbereidheid. Naast het feit dat oudere werkzoekenden soms
bereid zijn hun looneisen te milderen (ze willen vooral boeiend werk), zijn er
de sterke loonkostsubsidies. Sinds 1 juli 2016 is er de Vlaamse
doelgroep-vermindering gedurende 8 kwartalen. Erna vallen de nog ‘zittende’
werknemers terug op de federale doelgroep-vermindering. Het kortdurende
ziekteverzuim ligt bij ‘oudere’ werknemers eerder aan de lage kant maar de
laatste jaren neemt vooral het langdurend ziekteverzuim bij hen toe. Het
bedraagt in 2014 bijna 5% bij de 55-59 jarigen. De toename situeert zich in
alle leeftijdsgroepen en voor “ouderen” in alle sectoren. Tegenover een
gemiddelde van 2,6% is het langdurend verzuim bij “oudere” werknemers nog
‘redelijk’, maar een ‘actief verzuimbeleid’ is in het licht van het ‘langer
werken’ urgent. Dit vraagt een preventieve aanpak rond motivatie, welzijn op
het werk en de werkbaarheid van de job.
Er is geen wetenschappelijke consensus over een intrinsiek
lagere productiviteit van “oudere” werknemers.
Recent onderzoek stelt zelfs dat de productiviteit eerder stabiel blijft
dan daalt met de leeftijd. Hogere loonkosten en ziekteverzuim beïnvloeden de
vergelijking, maar de specifieke competenties van “oudere” werknemers
(ervaring, betrokkenheid, loyauteit,…) kunnen dit compenseren en maken hen
anders productief. Daarnaast hangt het van het management af in hoeverre
werkbaar werk en leermogelijkheden de productiviteit op niveau houden. Op vlak
van ‘leerbereidheid’ scoren oudere werknemers niet lager dan jongere collega’s.
Ze krijgen wel minder opleidingkansen. Het recente ‘Opleidingspact’ tussen de
sociale partners bevestigt nogmaals dat vorming en opleiding essentiële bouwstenen
zijn voor een sterk (EINDE)loopbaanbeleid.
En dat laatste is essentieel om de gevolgen van de grexit nu
én morgen op te vangen.
vrijdag 23 december 2016
Vrijwilligerswerk als loopbaanversterking
Dat vrijwilligerswerk een grote maatschappelijke meerwaarde heeft, zal niemand ontkennen. Ook voor de vrijwilliger als persoon heeft het een diepe betekenis zoals treffend geformuleerd op het standbeeld van Che Guevara in Santa Clara “El trabajo voluntario es una escuela creadora de consciencias”. Maar hoe zit het met vrijwilligerswerk ten aanzien van de arbeidsmarkt?
Daar stellen we vast dat tegenpolen vervagen. Zo raakt de grens tussen leren en werken stilaan beslecht, dat mag blijken uit de introductie van het duaal leren als volwaardige leerweg en de graduele toename van het aantal inschrijvingen in het volwassenenonderwijs. Recent verdwenen beschotten tussen arbeiders- en bediendenstatuten. Nog is het onderscheid tussen werk en privé op de achtergrond beland, nu plaats- en tijdsonafhankelijk werken meer en meer gemeengoed wordt en mensen er steeds vaker in slagen om hun baan te kneden naar hun passies. Eén spanningsveld blijft desondanks bestaan: dat tussen betaalde en onbetaalde arbeid, meestal aangeduid als ‘vrijwilligerswerk’. Vrijwilligerswerk is een begrip met een zekere geladenheid. Het wekt bijvoorbeeld de indruk dat het meer keuzevrijheid impliceert dan bij wat je doet voor de kost, dat het voortvloeit uit vrije wil, alsof voor zelfstandigen en werknemers in loondienst bezoldiging de enige drijfveer vormt. Dat is bevreemdend, zeker in een context waarin beleidsmatig stemmen opgaan om werkzoekenden te verplichten als ‘vrijwilliger’ aan de slag te gaan en het op de arbeidsmarkt meer en meer belangrijk wordt om rekening te houden met de keuzevrijheden van de beroepsbevolking, keuzevrijheden die onder meer te maken hebben met de vormgeving van de eigen loopbaan.
Ik prefereer een positief perspectief op vrijwilligerswerk, een perspectief dat over de bovenstaande polarisering heen kijkt. Voor mij is werk, of dat nu ‘vrijwillig’ is, dan wel ‘verplicht’, ‘bezoldigd’, dan wel ‘onbezoldigd’, een kans om competenties te vergaren of uit te diepen. Met andere woorden, vrijwillig werken is in mijn ogen een volwaardige vorm van competentieversterking. Vrijwilligerswerk vormt in die zin evenzeer een meerwaarde voor de (levens)loopbaan als betaalde arbeid, stages, studentenjobs, mantelzorg, huishoudelijk werk, etc. Op die manier kan vrijwilligerswerk een volwaardige schakel zijn in een traject richting duurzame tewerkstelling of een bewuste verbreding van de evolutieve loopbaan. Dat zoiets geen loze woorden zijn, valt te illustreren met het feit dat het bij rekrutering en selectie doorgaans gewaardeerd wordt als kandidaten op hun curriculum vitae gewag maken van ervaringen met vrijwilligerswerk – althans toch bij VDAB.
De beloning van de vrijwilliger ligt dus niet alleen in de energie die verbonden is met onbaatzuchtige inzet voor anderen, maar ook in de door hem of haar verworven competenties. Bovendien hebben die competenties ook een maatschappelijke ‘return on investment’, omdat ze bij overdracht naar andere tewerkstellingscontexten de klanten of ondernemingen daar ten goede komen. Vrijwilligerswerk als ‘activiteit’ valt mijns inziens dus altijd te verkiezen boven loutere ‘inactiviteit’ of ‘werkloosheid’. Daaraan zijn namelijk uitsluitend verliesposten aan verbonden, zowel voor het betrokken individu, als socio-economisch (kwalificatieverlies, vermindering van het verantwoordelijkheidsbesef, motivatieverlies, sociale uitsluiting, ondermijning van de gezins- en samenlevingsrelaties, afnemende creativiteit en innovatie, etc.). Wel hangt in die optiek veel af van de mate waarin gedurende het vrijwilligerswerk aandacht uitgaat naar het expliciet in kaart brengen en certificeren van de verworven competenties. Pas dan worden ze zichtbaar en kunnen ze de volgende stap in de carrière vergemakkelijken.
Vrijwilligersorganisaties kunnen hun aantrekkingskracht dan ook verhogen door bewust te investeren in een context die vrijwilligers toelaat om eveneens functionele voordelen te putten uit onbetaald werk. Ze kunnen vrijwilligers bijstaan in het inventariseren van de competenties die relevant zijn voor de verantwoordelijkheden die ze opnemen. Ze kunnen hen een ontwikkelplan voorstellen, waarin voor hun talenten een groeipad wordt uitgestippeld, inclusief peer learning, coaching en mentoring. Ze kunnen hen een competentiepaspoort aanreiken, dat de opgedane competenties valideert in functie van activering, doorgroei of heroriëntatie. Het inzicht in de waarde van vrijwilligerswerk voor de loopbaan van de vrijwilliger staat daarbij voorop. En dan gaat het niet alleen over de beroepsloopbaan maar ook over diens levensloopbaan als geëngageerde burger.
Daar stellen we vast dat tegenpolen vervagen. Zo raakt de grens tussen leren en werken stilaan beslecht, dat mag blijken uit de introductie van het duaal leren als volwaardige leerweg en de graduele toename van het aantal inschrijvingen in het volwassenenonderwijs. Recent verdwenen beschotten tussen arbeiders- en bediendenstatuten. Nog is het onderscheid tussen werk en privé op de achtergrond beland, nu plaats- en tijdsonafhankelijk werken meer en meer gemeengoed wordt en mensen er steeds vaker in slagen om hun baan te kneden naar hun passies. Eén spanningsveld blijft desondanks bestaan: dat tussen betaalde en onbetaalde arbeid, meestal aangeduid als ‘vrijwilligerswerk’. Vrijwilligerswerk is een begrip met een zekere geladenheid. Het wekt bijvoorbeeld de indruk dat het meer keuzevrijheid impliceert dan bij wat je doet voor de kost, dat het voortvloeit uit vrije wil, alsof voor zelfstandigen en werknemers in loondienst bezoldiging de enige drijfveer vormt. Dat is bevreemdend, zeker in een context waarin beleidsmatig stemmen opgaan om werkzoekenden te verplichten als ‘vrijwilliger’ aan de slag te gaan en het op de arbeidsmarkt meer en meer belangrijk wordt om rekening te houden met de keuzevrijheden van de beroepsbevolking, keuzevrijheden die onder meer te maken hebben met de vormgeving van de eigen loopbaan.
Ik prefereer een positief perspectief op vrijwilligerswerk, een perspectief dat over de bovenstaande polarisering heen kijkt. Voor mij is werk, of dat nu ‘vrijwillig’ is, dan wel ‘verplicht’, ‘bezoldigd’, dan wel ‘onbezoldigd’, een kans om competenties te vergaren of uit te diepen. Met andere woorden, vrijwillig werken is in mijn ogen een volwaardige vorm van competentieversterking. Vrijwilligerswerk vormt in die zin evenzeer een meerwaarde voor de (levens)loopbaan als betaalde arbeid, stages, studentenjobs, mantelzorg, huishoudelijk werk, etc. Op die manier kan vrijwilligerswerk een volwaardige schakel zijn in een traject richting duurzame tewerkstelling of een bewuste verbreding van de evolutieve loopbaan. Dat zoiets geen loze woorden zijn, valt te illustreren met het feit dat het bij rekrutering en selectie doorgaans gewaardeerd wordt als kandidaten op hun curriculum vitae gewag maken van ervaringen met vrijwilligerswerk – althans toch bij VDAB.
De beloning van de vrijwilliger ligt dus niet alleen in de energie die verbonden is met onbaatzuchtige inzet voor anderen, maar ook in de door hem of haar verworven competenties. Bovendien hebben die competenties ook een maatschappelijke ‘return on investment’, omdat ze bij overdracht naar andere tewerkstellingscontexten de klanten of ondernemingen daar ten goede komen. Vrijwilligerswerk als ‘activiteit’ valt mijns inziens dus altijd te verkiezen boven loutere ‘inactiviteit’ of ‘werkloosheid’. Daaraan zijn namelijk uitsluitend verliesposten aan verbonden, zowel voor het betrokken individu, als socio-economisch (kwalificatieverlies, vermindering van het verantwoordelijkheidsbesef, motivatieverlies, sociale uitsluiting, ondermijning van de gezins- en samenlevingsrelaties, afnemende creativiteit en innovatie, etc.). Wel hangt in die optiek veel af van de mate waarin gedurende het vrijwilligerswerk aandacht uitgaat naar het expliciet in kaart brengen en certificeren van de verworven competenties. Pas dan worden ze zichtbaar en kunnen ze de volgende stap in de carrière vergemakkelijken.
Vrijwilligersorganisaties kunnen hun aantrekkingskracht dan ook verhogen door bewust te investeren in een context die vrijwilligers toelaat om eveneens functionele voordelen te putten uit onbetaald werk. Ze kunnen vrijwilligers bijstaan in het inventariseren van de competenties die relevant zijn voor de verantwoordelijkheden die ze opnemen. Ze kunnen hen een ontwikkelplan voorstellen, waarin voor hun talenten een groeipad wordt uitgestippeld, inclusief peer learning, coaching en mentoring. Ze kunnen hen een competentiepaspoort aanreiken, dat de opgedane competenties valideert in functie van activering, doorgroei of heroriëntatie. Het inzicht in de waarde van vrijwilligerswerk voor de loopbaan van de vrijwilliger staat daarbij voorop. En dan gaat het niet alleen over de beroepsloopbaan maar ook over diens levensloopbaan als geëngageerde burger.
maandag 14 november 2016
M'n airhostess
Hoeft het gezegd dat je bij bepaalde beroepen een duidelijke
voorstelling, een duidelijk beeld van de beroepsbeoefenaar(ster) voor ogen
hebt? Ik beken dat ik bij airhostessen steeds aan jonge blondines denk die net
niet het podium van één of andere Miss-verkiezing hebben gehaald. Voor die
beeldvorming stel ik vooral Will Tura verantwoordelijk! Zong hij immers niet in
die termen over “zijn airhostess”? “’k Was verliefd op een airhostess. ’t Was
in een DC 6. Smilend reikte ze mij een lunch en een koffie express. Vroeg haar
naam en ook haar adres. Kreeg een vork en een mes...”. Maar ook Busted zingt
over het schoonheidsideaal van de airhostess: “Airhostess. I like the way you dress. I hate to fly but I
feel much better. Occupy my minds writing you a love letter. ‘Cos you’re my air
hostess. I love the way you dress.” De bijhorende filmpjes bij deze
liedjes versterken de beeldvorming van de airhostess als een jonge blondine… En
eerlijk gezegd op de meeste vluchten wordt de passagier met dit stereotype van
airhostess ook geconfronteerd.
Ik moest dan ook deze zomer even wennen op de vluchten van
de Amerikaanse vliegtuigmaatschappij Delta Airlines... De airhostessen
beantwoordden immers helemaal niet aan dit beeld. Het waren gemoedelijke,
“rijpere” dames (ik durf het woord “oud” of “senior” niet in de mond te nemen
maar er zaten zeker enkele 60-plussers tussen) die op een erg vriendelijke en
behulpzame manier de passagiers bijstonden... Huilende en krijsende baby’s of
peuters, ongeduldige jongeren, mensen met beperkingen of gezondheidsproblemen,
de klassiek lastige passagiers die zich weinig of niets aantrekken van de
veiligheidsvoorschriften, etc. niets was hen te veel, iedereen konden ze op een
rustige, klantvriendelijke en gedecideerde manier bijstaan, kalmeren of in het
“gareel houden”... Zelden was een vlucht zo comfortabel en rustgevend...
Deze beleving wijst nog maar eens op de vaak sterk
ingebakken of vastgeroeste vooroordelen die we dagelijks hanteren. Vooroordelen
die ons beletten elders of anders talent te ontdekken. Vooroordelen waardoor we
zelf een artificiële schaarste aan talent creëren of in stand houden…
Vooroordelen die een kleurrijke werkvloer verhinderen omdat grijs enkel kan
opvallen tussen andere kleuren… Vooroordelen die geen boost geven aan innovatie,
creativiteit én ondernemingszin…
Laat ons daarom afstappen van de macht der gewoonte die nog
te veel ons HR-beleid bepaalt en de vlucht vooruit nemen naar een kleurrijke
arbeidsmarkt. Dan zullen we ook hier een comfortabele vlucht beleven…
maandag 17 oktober 2016
My first, my last, my everything?
In tegenstelling tot de lyrische woorden van Barry Whites’ love song lijkt de liefde voor Europa bekoeld. Brexit, Frexit, Nexit, … De eerste komt eraan terwijl er tegelijkertijd in andere EU-Staten stemmen opgaan om Europa de rug toe te keren. Met verbazing ben ik getuige van de debatten en standpunten over de EU waarbij deze steeds weer het imago krijgt opgekleefd van de boze stiefmoeder van Sneeuwwitje. De EU wordt vereenzelvigd met een logge, bureaucratische machine, zware administratieve processen en een top down-besluitvorming die geen rekening houdt met “Jan met de pet”. De tegenstanders stellen dat ze het alleen veel beter, eenvoudiger en goedkoper kunnen doen en moeten blijkbaar hiervoor geen bewijzen aanleveren… De kritiek en het statement volstaan…
Natuurlijk kent de EU – zoals elke besluitvormingsniveau – tekortkomingen en onvolmaaktheden. Ook ik heb het soms moeilijk met de ondoorzichtigheid van de Europese besluitvorming, de silo-werking binnen de Commissie en de administratieve planlasten verbonden aan Europese subsidies. Maar toch zal ik de EU niet beschouwen als een “failed institution”…
De EU heeft immers ook een ander gelaat dat in de publieke opinie nauwelijks of niet getoond wordt. Ik ken Europa immers ook als een bestuursniveau dat bottom-up-samenwerkingen aanmoedigt en faciliteert… zonder daarbij logge administratieve procedures te hanteren of de zwarte piet door te spelen naar de Lid-Staten. Zo bevordert de EU de modernisering van het arbeidsmarktbeleid van de Lid-Staten via de ondersteuning van het European Network of Public Employment Services (PES). Dit laat de PES toe benchlearningsactiviteiten op te zetten, beste praktijken uit te wisselen, evidence based- adviezen aan de Commissie uit te brengen ter verbetering van de beleidsaanpak op Europees en nationaal niveau, concrete samenwerkingsverbanden tussen de PES uit te bouwen etc… Een goede illustratie vormt de recente samenwerking tussen Jobsplus-Malta en VDAB die samen een systeem van competentiegericht matchen hebben opgezet.
Dit is m.i. de weg die we in de EU nadrukkelijk(er) verder moeten bewandelen. De arbeidsmarkt kent immers geen grenzen; terugplooien op zichzelf is de realiteit van de globaliserende VUCA-wereld ontkennen. De publieke bemiddelingsdiensten hebben dan ook reeds lang begrepen dat samenwerking over de nationale grenzen heen nuttig én noodzakelijk is. Ze hebben met dat doel een gemeenschappelijke strategie “PES EU 2020” uitgewerkt die moet bijdragen tot betere jobkansen en langere leuke loopbanen voor iedereen… ook voor personen met beperkingen, NEET-jongeren én vluchtelingen. Dat de Europese Commissie hier met bijvoorbeeld zijn New Skills Agenda offensief op inspeelt, is dan ook een welgekomen opportuniteit voor de ganse Unie en elke Lid-Staat. Niet vanuit een centralistische of dirigistische visie wel vanuit de ruimte die gelaten wordt aan de werkveld-actoren om bottom-up samen te werken binnen één Europees doelstellingenkader.
Europa als een co-creatief platform om welvaart te verzekeren. Wie tekent daar niet voor? Hoor ik hier niet Barry White op de achtergrond?
Abonneren op:
Posts (Atom)








