maandag 13 augustus 2012

Storende Statuten

Het onderscheid tussen bedienden en arbeiders in de privé-sector is een manifest anachronisme. Dat is al decennia het geval. Ik herinner me uit mijn lessen “arbeidsrecht” dat Prof. Roger Blanpain reeds in de jaren ’70 – ’80 van de vorige eeuw (dat klinkt echt “lang”) betoogde - aan de hand van enkele voorbeelden zoals de activiteiten van een door een supermarkt ingehuurde Sinterklaas en Zwarte Piet - dat dit onderscheid totaal achterhaald én arbitrair was. Sindsdien zijn alle functies nog méér en méér een vervlechting van hoofd- en handenarbeid geworden door de toegenomen informatisering en technologisering. Hoewel iedereen het eens is dat er nood is aan een eenheidsstatuut, slaagt men er nog steeds niet in om zo’n statuut vorm te geven. Ondertussen versterkt deze tweespalt de waardering van onderwijskeuzes en –loopbanen ten nadele van het TSO en BSO.
 

Maar niet alleen de private sector kampt met een storende statutenkwestie, ook de publieke sector zit met een verouderde opdeling tussen statutaire en contractuele functies. Ook hier zou een eenheidsstatuut soelaas kunnen brengen. Door de huidige opdeling hebben contractuelen – ook al oefenen ze identiek dezelfde functie als een statutaire collega uit – niet dezelfde arbeidsvoorwaarden als statutairen. Er zijn duidelijke verschillen inzake aanwervingsvoorwaarden, pensioenen, verlofregelingen, ziektevoorzieningen, salaris en ontslagmodaliteiten. Bovendien hebben contractuelen weinig of geen promotiekansen of loopbaanmogelijkheden. Ze kunnen evenmin leidinggevende functies innemen ook al tonen ze aan over de vereiste competenties te beschikken. Leiding geven is immers het privilege van statutaire ambtenaren.
Het mag duidelijk zijn dat door deze opdeling de publieke sector geen volwaardig competentie- en talentmanagement vorm kan geven en erg verzwakt zal staan in de War on Talent. Zo’n verzwakte stelling zal de dienstverlening die de publieke sector moet verzekeren, niet ten goede komen. Nog al te veel gaan overheidsmanagers en -vakbonden uit van de evidentie dat werkzekerheid de nummer één-troef van de overheid zal blijven in de toekomst. Ze vergeten daarbij dat als gevolg van de demografische ontwikkelingen de arbeidsmarkt in globo méér werkzekerheid kan bieden. Bovendien is er de vraag of werkzekerheid wel de juiste motivator is voor aanwervingen. Jongeren willen nadrukkelijk uitdagende werkomgevingen die leer-, ontwikkel- en promotiemogelijkheden toelaten. Het statuut is voor hen echt secundair. Dit soort werkomgevingen kunnen maar gecreëerd worden indien de overheid ook over alle hefbomen inzake competentiemanagement beschikt. Voorts moet de toegang tot de publieke sector ook echt openstaan voor ervaren medewerkers. Dat kan enkel indien EVC volwaardig is ingebed in het personeelsbeleid. De actuele opdeling in hokjes in functie van de diverse statuten en de te sterke diplomagerichtheid verhinderen een modern HR-beleid, een echt competentiemanagement. Het hokjesdenken moet dus doorbroken worden. Verworven competenties verdienen een plaats. Een eenheidsstatuut dat hieraan aandacht besteedt dringt zich op.
Bij het ontwerpen van zo’n eenheidsstatuut moet ook rekening gehouden worden met de mogelijkheid om vlotte overstappen tussen de private en publieke sector toe te laten; tijdelijk, definitief, als stage-, leer- of werkervaringsomgeving. Zo’n overstappen in twee richtingen moeten we echt stimuleren om kruisbestuiving vanuit de private sector, waar nuttig, mogelijk te maken. Hier ligt ook een opportuniteit om zoals reeds aangehaald, meer ervaren werknemers uit de private sector die hun competenties op een andere manier willen inzetten, aan te trekken voor de publieke sector. Waarom bijvoorbeeld geen ervaren meestergasten aantrekken als technisch leerkracht in het gemeenschapsonderwijs of als instructeur bij Syntra of VDAB? Een statuut dat in dergelijke gevallen een vlotte overstap faciliteert, zal bijdragen tot meer wendbare en “competentie”- rijkere overheidsorganisaties.
Moet dit beschouwd worden als sociale afbraak? Bijlange niet... Het toekomstgericht competentie- en loopbaanbeleid voor de publieke sector zal moeten gesteund zijn op een duidelijk kader dat oog moet hebben voor een kwalitatieve tewerkstelling en inspelen op de individuele loopbaanbehoeften en - mogelijkheden van alle medewerkers. Dit kader zal ook de bevordering van loopbaanzekerheid als uitgangspunt moeten hanteren. Onder die voorwaarden zal het een betere dienstverlening t.a.v. burgers en bedrijven garanderen. En dat is tenslotte de opdracht en finaliteit van de publieke sector. 
Laat ons hier op zijn minst een open dialoog over starten zonder direct in egelstellingen te kruipen of mekaars te bestoken met clichés. Het gemeenschappelijk belang van alle betrokken partijen bij deze dialoog is immers een betere publieke dienstverlening. En daar heeft de burger recht op!
Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder
VDAB

10 opmerkingen:

Anoniem zei

Inderdaad mr Leroy, ik heb 33 jaar als contractueel arbeidsbemiddelaar gewerkt en heb nooit de mogelijkheid gekregen om naar het statuut van statutair te gaan, kwestie van een beetje tegenwerking gekregen te hebben van de plaatselijke directie

Anoniem zei

Contractuelen hebben de mogelijkheid statutair te worden !
Maar dan moeten ze het examen dat toegang verleend tot de statutaire graad slagen (Georganiseerd door selor) en daar wringt het schoentje nietwaar ! Contractuelen zouden enkel voor tijdelmijke jobs mogen in aanmerking komen voor de rest zijn de openbare examens de manier om mensen selecteren !!!!

Anoniem zei

Geachte heer,

Mijn hart maakte een sprongetje toen ik dit las!
Dit weekend nog deed ik mijn beklag tegen iemand dat ik gewoon geen carrièrekansen heb door mijn contractueel statuut (en bovendien schrijft de overheidsdienst waar ik werk al jaren geen selecties meer uit om statutair te worden). Pech dus voor mij, maar onbegrijpelijk!
Doen dus die hervorming!!!

Günther Mattheussens zei

Fons,

Ongetwijfeld heb je voor een groot stuk gelijk. Hoe zal de overheid de meest competente en gemotiveerde ambtenaren kunnen houden? Daar zal de verloning een grote rol in spelen. Want daar gaat het hem op neerkomen: als de overheid de beste mensen wil houden, zal ze bereid moeten zijn daarvoor te betalen. Hoeveel? Hetzelfde bedrag als de privésector voor deze mensen zal willen betalen.
Bijvoorbeeld, wat is het nut van het toepassen van evaluatiemodellen uit de privésector, maar dan zonder het sluitstuk, namelijk de verloning?

Anoniem zei

Wat wel een probleem is bij de overheid is dat er enorm veel tijdelijke vervangingscontracten zijn waardoor de kans om de beteren aan te werven niet zo erg groot is. Bijkomend als er teveel tijdelijken zijn is ook vaak de motivatie weg in de dienst want ja waarom zich inspannen? En misschien kan men beter iets doen aan het perpetuum mobile: iemand gaat aan de slag als vervanging van iemand, slaagt erin om een contract van onbepaalde duur te krijgen en gaat prompt voor jaren in loopbaanonderbreking...

Van Hautte Guido zei

Dag Fons,

Het kan ook eenvoudiger en betaalbaarder. Laat voortaan iedereen bij de overheid contractueel beginnen. Met een benoeming als beloning voor de meest competente. Als daar objectieve criteria bijhoren is de discriminatie meteen weggewerkt. Het blijft betaalbaar, het ambtenarenstatuut staat niet langer ter discussie en een redelijke verhouding tussen contractuelen en statutairen staat mede borg voor de nodige dynamiek. Het succesdieet van de FOD sociale zekerheid kan hierbij als voorbeeld gelden.(Jobat 5-6 mei 2012)Of wordt anders de middelmatigheid (weer eens) de norm?
Guido Van Hautte, ambtenaar UGent

Anoniem zei

ik ben zelf in het begin van de jaren'80 statutair ambtenaar geworden na het welslagen voor één van de grote examens voor "opsteller"in een Heizelpaleis. 12.000 deelnemers, ongeveer 1000 geslaagden. Volledig anoniem en in dat opzicht ook objectief. Nu worden contractuelen meestal door de kabinetten opgedrongen aan de wervingsdiensten van de administraties van de federale overheidsdiensten. Nadien organiseert men op maat gemaakte wervingsexamens waarbij men enkel mag deelnemen als men "nuttige ervaring" heeft. Lijkt voor de buitenwereld niet slacht, maar brengt met zich mee dat enkel de politiek uitverkorenen die al als contractueel op de stoel werden gezet met sukses kunnen deelnemen. In mijn tijd (1981) was het examen misschien niet functiegericht, maar je kon meedoen enkel op basis van diploma en het beginsel van gelijkheid van toegang tot het openbaar ambt was tenminste gewaarborgd. Nu is dat absoluut niet meer zo. Een politiek van eigen partijvolk eerst aangevuld met een vleugje ons kent ons domineert het wervingsbeleid in de praktijk.
Mijnheer Leroy, u spreekt het niet uit, maar ik zie in u een voorstander van het Deense model. Dit model kent inderdaad grote voordelen en laat bijvoorbeeld toe dat een uitgebluste leerkracht zich kan laten herscholen tot pakweg buschauffeur en daar ook weinig of geen loonverlies bij lijdt. de spanning tussen begin- en eindbarema in Denemarken is ook veel minder groot dan in België. De pensioenleeftijd bedraagt er al een tijdje 67 jaar. En het wettelijk en het ambtenarenpensioen zijn er ook een stukje lager dan in ons land, welvaartstaat of niet. Begrijp me niet verkeerd, ik ben voor het Deense systeem, maar dan dienen we ook de Deense maatschappelijke cultuur te hebben.

Anoniem zei

Al die tijdelijken en contractuelen zijn voor een groot deel afkomstig van de vroegere tewerkstellingsprogramma's. En die waren bedoeld om de werkloosheid te bestrijden. De privé sector ontslaat overtollige wernemers. De toegenomen werkloosheid moet worden opgelost door de overheid via tewerkstellingsprogramma's en de creatie van nepjobs en nepstatuten. En nu de verhouding statutairen/Contractuelen ongeveer 50/50 is, is het plots niet meer rechtvaardig dat een vastbenoemde een beter statuut heeft dan een contractueel. bedoeling van dit discours is ongetwijfeld niet het lot van de contractueel te verbeteren maar het stauut naar het contractuele niveau te halen. Wat dan weer ten goede komt aan de pensioenkassen die momenteel in de problemen zitten. Krijgen de ambtenaren dan, net zoals in de privé, ook allemaal een "company car", een groepsverzekering ter aanvulling van het privé pensioen, enz...

Anoniem zei

Geachte heer Leroy

Ook ik kon mij vinden in het opiniestuk van uw hand. Zelf ben ik reeds 8 jaren aan de slag in het onderwijs als jonge en idealistische leerkracht (voor de helft statutair benoemd, voor de helft contractueel) en ook daar dient het onderscheid tussen de statutaire en de contractuele benoeming dringend herzien te worden. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat dit systeem fundamenteel onrechtvaardig en gedemodeerd is. De hele kwestie is trouwens voor mij nooit echt een persoonlijke kwestie geweest, maar een princiepkwestie.

Het gegeven dat men als statutair benoemde meer rechten heeft voor hetzelfde geleverde werk (soms zelfs kwantitatief meer en kwalitatief beter werk) is op zich al discriminerend. Maar als de manier om tot een statutaire benoeming te komen er een is die voornamelijk berust op willekeur en toevalligheden, is dat absoluut oneerlijk. Kort gesteld komt het erop neer dat leerkrachten statutair benoemd kunnen worden voor vakken, waarvoor men niet specifiek opgeleid is, voor schoolvakken of uren die men niet geeft of, nog erger, voor vakken of uren die men niet wil geven.

Ook op het vlak van ziektevoorziening zorgt het onderscheid tussen de statutaire en contractuele benoeming voor onrechtvaardigheden. Kort gesteld kan men als contractueel benoemde maar beter niet ernstig ziek worden in het onderwijs. Kafkaiaanse toestanden zijn trouwens ook nooit ver weg.

Vaak laat ik mij maar al te graag vertellen dat de statutaire benoeming in het onderwijs in oorsprong als doel had het leerkrachtenambt aantrekkelijker te maken bij jongeren en hen werkzekerheid te verschaffen. Deze visie staat in schril contrast met het heden, waarin jongeren net omwille van de statutaire benoeming geen werkzekerheid meer vinden en liever niet meer in het onderwijs stappen of er vervroegd uitstappen. Persoonlijk ben ik trouwens nooit omwille van een statutaire benoeming in het onderwijs gestapt, wel uit idealisme. Al dient gezegd dat de (aanwezigheid van de) statutaire benoeming idealisme fnuikt. Jonge, contractuele leerkrachten botsen op muren, statutair benoemden berusten…

Grote vraag blijft natuurlijk hoe verandering te brengen in dergelijk log systeem. Temeer daar het zichzelf in stand houdt, omdat je in het onderwijs mee moét in de mallemolen van de benoemingen. Anders lig je er vroeg of laat uit… Graag steun ik u dan ook in uw opinie, meneer Leroy, en druk ik daarmee ook de verdere wens uit dat het niet bij een opiniërende blog blijft.

Finaal gesteld geloof ik niet in de privatisering van het onderwijs. Waar een school een privéonderneming wordt of gestoeld op inzichten uit de private sector, verliest het onderwijs haar hart. De huidige situatie is echter ook niet de tuin van Eden en op termijn nefast voor ons onderwijs.

Vriendelijke groet en verdere duiding en hulp steeds mogelijk
Sebastian Huybrechts

Anoniem zei

Contractuelen zijn blijkbaar vooraf slecht of niet geïnformeerd over hun statuut. Tijdens hun aanwerving wordt echter expliciet en eenduidig gezegd dat het op statutaire of contractuele plaatsen gaat. Het is echter een zekerheid dat elke contractuele steeds de mogelijkheid heeft om te kandideren voor een statutaire plaats - natuurlijk, zoals voor iedereen moet dit via Selor. Maar wie wil dit nog doen? Een eenheidsstatuut zou de oplossing zijn, maar dan voor alle ambtenaren. Zelfs tussen de overheidsdiensten en parastatalen is er een onverklaarbaar verschil. En wat dan met de militairen en andere openbare dienstverleners? Die hebben nog een apart statuut. Trek de lijn dan ook volledig door naar het private leven: geef dan ook alle loontrekkers dezelfde voordelen als de zelfstandigen en vrije beroepen en zorg hier ook voor een eenheidsstatuut. Maar dat zullen de liberalen nooit aanvaarden: de zelfstandigen en vrije beroepen willen wel de voordelen van de loontrekkers, maar niet de nadelen, en de loontrekkers zullen nooit de voordelen van de zelfstandigen en vrije beroepen bekomen. Spijtig genoeg betalen de loontrekkers altijd de rekening en kunnen ze niets in mindering brengen.