Een hervorming van de arbeidsmarkt kan niet zonder een staatshervorming. Sommigen beweren het tegendeel en stellen dan dat de verschillen inzake werkloosheid binnen Vlaanderen even groot zijn als verschillen tussen de Gewesten. Daarmee reduceren ze evenwel de realiteit. De arbeidsmarkt is een samenspel tussen verschillende actoren waarbij ook het beleid mee het gezicht van die arbeidsmarkt bepaalt. En dat beleid is vandaag reeds grotendeels op Deelstatelijk niveau gesitueerd. Al zijn er dus binnen Vlaanderen streekverschillen, alle arbeidsmarktactoren worden nochtans gevat door hetzelfde beleidskader. Zo hebben we “Vlaamse” eigenheden inzake de afbakening van doelgroepen (de zgn. “kansengroepen”), de activeringsaanpak van werkzoekenden (een sluitend maatpak-model), de betrokkenheid van de sociale partners in de beleidsbepaling (via enerzijds VESOC, het Vlaams Economisch Sociaal Overlegcomité, een tripartietorgaan tussen de Vlaamse Regering en de sociale partners, en anderzijds de RESOC’s, de Regionale overlegcomités, en de SERR’s, de Sociaal Economische Raden van de Regio’s), de sociale economie (met naast beschermde werkplaatsen, ook sociale werkplaatsen, invoegbedrijven en arbeidszorgcentra), een geïntegreerd beleid inzake personen met een arbeidshandicap via de VDAB, een sterke publieke-private samenwerking, acties die de brug slaan tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de operationalisering van loopbaanbegeleiding via o.m. werkwinkels en begeleidingscheques, de afbouw van de klassieke tewerkstellingsprogramma’s, … Deze en vele andere kleinere en grotere keuzes bepalen vandaag het uitzicht van de Vlaamse arbeidsmarkt en doen deze grondig verschillen van de arbeidsmarkten in Wallonië en Brussel.
Toch hebben de Deelstaten niet alle hefbomen om een doeltreffend arbeidsmarktbeleid te voeren in eigen handen. Bepaalde belangrijke hefbomen zitten nog op federaal niveau en dienen overgeheveld te worden naar de Deelstaten zodat zij een eenduidig en coherent beleid kunnen voeren. Ik denk dan bijvoorbeeld aan het bepalen van de criteria van een passende job of opleiding. Deze criteria worden nu door de RVA vastgesteld terwijl de VDAB bevoegd is om mensen zo’n job of opleiding te bezorgen. De VDAB zou dus deze criteria moeten kunnen bepalen waarbij men dan kan rekening houden met de specifieke knelpunten die zich in Vlaanderen voordoen bij de overgang van onderwijs naar de arbeidsmarkt én op de arbeidsmarkt. Zo wordt er vandaag ook een dubbele institutionele en budgettaire energie gestoken in het activeren van werkzoekenden. De VDAB stelt voor elke werkzoekende in het kader van de sluitende begeleidingsaanpak een traject naar werk op terwijl de RVA dit dan nog eens controleert en aftoetst met de werkzoekende. Duidelijk dubbel werk! Verder is het logisch dat de doelgroepmaatregelen gekaderd worden binnen het beleid van de Gewesten. Zij bepalen immers in functie van hun arbeidsmarkten welke groepen via specifieke incentives meer kansen moeten krijgen op de arbeidsmarkt. Het Vlaamse Gewest heeft hierbij expliciet gekozen voor het verhogen van de tewerkstellingskansen van 50plussers, terwijl de andere gewesten veeleer de voorkeur geven aan maatregelen voor jonge werkzoekenden. Elk Gewest moet echter zijn legitieme keuzes kunnen faciliteren met de juiste ondersteuningsmaatregelen t.a.v. werkzoekenden én werkgevers. Ook dat is vandaag nog moeilijk binnen de bestaande institutionele context. We zijn immers afhankelijk van een consensus op federaal niveau. Een laatste voorbeeld vormen de federale plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (PWA’s) die eigenlijk kleine parallelle VDAB’tjes zijn voor met name oudere, langdurige werkzoekenden. Ze houden zich immers bezig met een vorm van begeleiding, wat een bevoegheid is van het Gewest. De volledige integratie van de PWA’s in de (gewestelijke) werkwinkels zal de performantie ten goede komen.
Dit zijn slechts enkele illustraties van wat er zou moeten gebeuren op institutioneel vlak om ons arbeidsmarktbeleid te optimaliseren. Het is logisch dat tegenover deze bijkomende bevoegdheden ook méér responsabilisering staat. Voor wat, hoort wat.
Meer regionalisering betekent tot slot niet dat we gemeenschappelijke, regio-overschrijdende problemen links laten liggen. De bestaande samenwerking tussen bijvoorbeeld VDAB en Forem die bottom up is gegroeid, is het beste bewijs dat de Deelstaten wel degelijk zelf in staat zijn om dit soort problemen aan te pakken. Een federale schoonmoeder is hierbij niet nodig.
Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder
VDAB
VDAB
1 opmerking:
Waarom eigenlijk niet direct de globale arbeidsmarktbeleid aan de gemeenschappen doorspelen i.p.v. naar de gewesten?
1. Uw argumenten voor afbouw van de federale bevoegdheid hierin lijken me nog meer op te gaan voor de gemeenschappen. Het zijn die immers die bijv. onderwijs beheren.
2. Daarnaast zijn er ook grote verschillen binnen in Brussel, waar Vlaamse werklozen een behoorlijk ander profiel hebbend and e Franstalige.
3. Tenslotte biedt bevoegdheid voor de beide gemeenschappen in Brussel ook een kolossaal extra voordeel: de werkloze burger kan daar dan nl. kiezen tussen twee sterke organisaties (VDAB en FOREM) die wel goed werk leveren (in tegenstelling tot Actiris) en die daarenboben nog in concurrentie zullen staan! Beide zullen dus hetbeste van hun kunnen moeten tonen?
4. Idealiter voorziet de VDAB dan ook een plaatselijk overleg met lokale overheden en sociale partners in elk van de grote steden en andere gebieden met aparte problemen. In zo'n overleg zal de Brusselse problematiek dan perfect een aangepast beleid kunnen krijgen.
Kortom, waarom de gemeenschappen niet in de rol van centrale regisseur én financieel autonoom?
Een reactie posten