woensdag 28 juli 2010

Werk … Woorden en Beeld … Spraken

Het is genoegzaam bekend dat elk professioneel domein, elk vakgebied zijn eigen jargon heeft. Dit geldt ook voor de arbeidsmarkt. Beleidsmakers en arbeidsmarktactoren hanteren vaak begrippen, bewoordingen en beelden die niet of weinig toegankelijk zijn voor de werkende en werkzoekende mensen die nochtans de voornaamste spelers zijn op de arbeidsmarkt. Bovendien hebben bepaalde woorden soms een erg stigmatiserende klank of een negatieve connotatie. Zij geven daardoor impliciet of expliciet uitdrukking aan zekere machtsverhoudingen en waardeoordelen op de arbeidsmarkt. Daarom is het van belang om duidelijke en ruim toegankelijke begrippen en beelden te gebruiken die ook mobiliserend én activerend “werken”.

Het Vlaams arbeidsmarktvocabularium werd vanuit dat oogpunt de laatste jaren verrijkt met een aantal nieuwe begrippen die soms doordrongen tot de federale, Nederlandse en zelfs internationale woordenschat van beleidsmakers en arbeidsmarktactoren. Ik denk hierbij aan woorden zoals kansengroepen (in plaats van “risicogroepen”), lang leuker leren (is appelerender dan het LLL-gevangenisbegrip “levenslang leren”), kortgeschoolden (in plaats van het stigmatiserende “laaggeschoolden”), enjoyability (als Siamees tweelingwoord van employability zodat werken en goesting aan mekaar kunnen gekoppeld worden), sluitend maatpak (als gepersonaliserende variant van het containerbegrip “sluitende aanpak”), EVC als afkorting voor “erkenning van verworven competenties” (ter vervanging van de meer voorkomende begrippen “eerder of elders verworven competenties” die geen waarderingscomponent bevatten), ervaren werknemers (wie van deze doelgroep noemt zich graag “oudere werknemer” of zoals in sommige wetteksten “bejaarde werknemer” sic), maatwerkbedrijven (een meer positieve term voor beschermde en sociale werkplaatsen), werkwinkels als toegankelijk begrip voor de gebundelde eerstelijnsdienstverlening van diverse arbeidsmarktactoren (VDAB, RVA, PWA, OCMW, GTB,…).

Natuurlijk verander je geen sociaal-economische of politieke realiteiten door een nieuwe woordkeuze maar dat belet niet dat woordkeuzes belangrijk zijn. Ze laten immers toe om nieuwe inzichten krachtdadig te vertolken, kunnen de teneur van een maatschappelijk debat bepalen en bijdragen tot een betere communicatie en een beter begrip omtrent arbeidsmarktbeleid. Hierbij is het essentieel dat alle werkende burgers mee zijn… en niet enkel de hooggeschoolden, de “professionals” of de beleidsmakers. Woorden én beelden zijn daarom betekenisvol. Zo moest ik onlangs een beeld kiezen om “talent, bezieling en verbindingskracht” uit te drukken. Waar de andere panelleden teruggrepen naar poëzie of kunst die een selectief publiek aanspreken, schotelde ik bewust een foto van de wielerploeg van Eddy Merckx van 1972 voor. Het brede publiek zal dit immers beter begrijpen… Merckx was en is niet alleen een bezielend en toegankelijk leider, hij wist zich te omringen met talent en zo’n verbindingskracht met zijn ploegmakkers te smeden dat vandaag nog – méér dan 30 jaar na de koersloopbaan – de kern van deze ploeg samen een wekelijks ritje maakt, treurt bij het verlies van gemeenschappelijke vrienden en meeviert bij familiale en persoonlijke gebeurtenissen. De cohesie van het Merckx-team illustreert dus concreet voor veel mensen de strategie van een arbeidsorganisatie die talent, bezieling en verbindingskracht nastreeft.

Goed gekozen beelden en woorden zijn dus belangrijk om boodschappen breed uit te dragen. Let dus op jouw woorden en laat de juiste beelden spreken!

Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder

3 opmerkingen:

Joost Bollens zei

Toen ik een kleine twintig jaar geleden rond de arbeidsmarktthematiek begon te werken, behoorden laaggeschoolde gehandicapte werklozen tot een risicogroep, vandaag behoren kortgeschoolde werkzoekende personen met een handicap helaas nog steeds tot een kansengroep. Een wijziging van de terminologie alleen volstond klaarblijkelijk niet om dit probleem van de baan te ruimen.

Natuurlijk, ik wil onmiddellijk toegeven dat sommige wijzigingen in de gebruikte terminologie terecht en wenselijk waren. Het begrip "gehandicapte" herleidt een persoon met een handicap tot die handicap, terwijl duidelijk is dat een mens zoveel meer is dan die beperking alleen (om nog te zwijgen over "mindervalide"). Ook spreken we nu over laaggeletterden i.p.v. over analfabeten, omdat het begrip analfabeet suggereert dat het over een alles of niets toestand gaat (ofwel kan je lezen, ofwel kan je het niet), terwijl het begrip "geletterdheid" toelaat om gradaties te maken in de mate waarin iemand kan lezen. Zonder dat dit overigens iets te maken heeft met de gevoelswaarde van de beide termen, wie zich vroeger schaamde voor zijn analfabetisme, zal dat nu evenzeer doen voor zijn laaggeletterdheid.

Meer problemen heb ik met de term "kortgeschoold". In mijn ogen is "kortgeschoold" niet meer (of niet minder) denigrerend dan de term "laaggeschoold", zowel laag als kort verwijzen allebei evenveel naar het weinige of het beperkte van de scholing. Er is hier sprake van een eufemisme, er is iets wat ons zorgen baart, waar we moeite mee hebben (met name de moeilijke positie van laaggeschoolden op de arbeidsmarkt), en door daar dan een andere term op te plakken, hopen we dat we die bittere pil wat kunnen vergulden. Zoals in het Vlaanderen van voor '40-'45 tuberculose een vreselijke ziekte was die soms hele families wegvaagde, en men dan maar na verloop van tijd ging spreken over tbc, en toen ook die term een te negatieve gevoelswaarde kreeg, men ging spreken over tb.

Als er ooit een dag zou komen waarop iedereen in Vlaanderen zou spreken over kortgeschoolden i.p.v. over laaggeschoolden, zou binnen de kortste keren de term "kortgeschoold" dezelfde gevoelswaarde krijgen als de term "laaggeschoold". Die dag lijkt mij overigens nog veraf, ik zie dat beleidsmakers het nog dikwijls over laaggeschoolden hebben, en na een korte zoekopdracht in het laatste jaarverslag van de VDAB heb ik trouwens ook onmiddellijk prijs. Vandaar een oproep tot enig pragmatisme : kunnen we die verwarrende en overbodige term niet beter achterwege laten, temeer daar de rest van de wereld wel systematisch over laaggegschoolden blijft spreken? (low skilled, peu/moins/à peine qualifié, (niedrig ausgebildet (ook wel "kurz ausgebildet", maar ook "gut ausgebildet" wat suggereert dat er ook slechten zijn...)

Stijn Tanghe zei

In het algemeen kan ik de grondtoon van uw verhaal volgen en ben ik eveneens overtuigd van het belang van onze woordkeuze en wat we er (vooral impliciet) mee zeggen of willen zeggen. Anderzijds maakt u mijns inziens een gelijkaardige fout bij het naar voor schuiven van het beeld van de wielerploeg van Merckx. Niettegenstaande hetgeen u stelt waarschijnlijk zeer correct is, veronderstelt u dat mensen weten dat Merckx zich met talent omringde, wat nog vrij aannemelijk doch niet evident is - hij was immers 'de Kannibaal'. Maar u veronderstelt - door het naar voor schuiven van het beeld an sich - ook dat mensen weten dat Merckx nog steeds gaat fietsen met die makkers en er nog een sterke band heerst tussen alle betrokkenen, wat mijns inziens geen natuurlijk gegeven is. Zeker niet voor mensen die niet zo sport-minded (of zelfs specifieker koers-minded) zijn of mensen er toen nog niet (bewust) bij waren.
Er is dus nog ruimte voor het verder doordenken van de these.

Viviane Ronval zei

Iedere noemenswaardige onderneming weet hoe belangrijk het is om zijn publiek te kennen. Het is de basis van goede communicatie, een onderdeel in management dat in de informatiemaatschappij van vandaag meer dan ooit een centrale rol speelt.

Modern taalgebruik heeft iets vernieuwends en is een effectief instrument bij het presenteren van een organisatie naar de burger.
Een creatieve verpakking is zo belangrijk als de zeggingskracht van de boodschap zelf.
De kracht van kleur, sterke beeldvorming, positief, ‘opvallen en erbij horen’, imago en zichtbaarheid, het zijn begrippen die de succesfactor van een organisme bepalen.

Het blijft een uitdaging dat de stem van een arbeidsorganisatie een zo breed mogelijk publiek bereikt. Het maakt de gure sociaal economische realiteit meer kneedbaar om samen in vertrouwen de maatschappij van vandaag te benaderen en te onderzoeken.
De veranderende kenmerken van het arbeidsleven, nieuwe gezinspatronen, economische kansen, armoede en ongelijkheid, levenskwaliteit zijn belangrijke factoren waarmee moet worden omgegaan om te komen tot systemen die de toegang tot welzijn mogelijk maken.
Laten we daar op toezien en dat stukje welvaart voor iedere burger bewaken.