Luc Vandenbossche noemde in De Standaard
van 28/08 topambtenaren die genoegen nemen met een jaarinkomen van onder de
290.000 euro “missionarissen”. Als leidend ambtenaar binnen de Vlaamse overheid
voel ik me dan meteen aangesproken. Hoewel ik ook wel eens zieltjes tracht te
winnen voor een grondige arbeidsmarkthervorming of een meer inclusieve
benadering van talent, is de drang om te kerstenen me verder absoluut vreemd.
Mijns inziens is er niet verkeerds aan
topambtenaren die de maatschappelijke meerwaarde van hun functie laten primeren
op het gewicht van hun loonbrief. Ik zie tal van collega’s met uitstekende
managementcompetenties die bewust kiezen voor de publieke sector zonder daar
‘marktconform’ voor vergoed te worden. Hen allemaal afserveren als naïeve
wereldverbeteraars die niet in staat zijn om een grote organisatie te leiden,
doet afbreuk aan de enorme inspanningen en verdiensten van managers in de hele
non-profit. Net als andere loontrekkenden, maken overheidsmanagers hun
loopbaankeuzes niet enkel op basis van een verloningspakket, maar brengen ze
verscheidene factoren in rekening bij het al dan niet aanvaarden van een
toppositie (maatschappelijk relevantie, prestige of imago van de onderneming, toekomstperspectieven,
mate van autonomie, klimaat rond de bestuurstafel, etc.). Wel ben ik het met Luc
Vandenbossche eens dat competenties in het selectieproces zwaarder moeten
doorwegen dan partijkaarten – maar ook dan diploma’s (al dan niet correct
omschreven in het cv). Ook lijkt een
objectieve selectieprocedure door een neutrale derde partij me meer garanties
te bieden op deugdelijk bestuur dan partijpolitieke compromisvorming. Het
afsluiten van arbeidsovereenkomsten kent een andere logica dan het afsluiten
van politieke akkoorden.
Tegenstellingen zoeken tussen wat
topmanagers verdienen in de publieke sector en wat ze waard zijn in de private
sector, is mijns inziens een achterhoedegevecht. Riante salarissen zijn op zich
in de private sector geen garantie op succesvol management, net zo min als
maatschappelijk engagement dat is bij de overheid. Het is in alle contexten
veel belangrijker om te komen tot een ethisch verdedigbare convergentie tussen de
omvang van de verantwoordelijkheden van een manager en de hoogte van het loon
dat de aandeelhouders of stakeholders daar tegenover willen stellen.
Headhunters moeten dan ook niet alleen gericht zijn op het assessment van de
kandidaten, maar dienen tevens in staat te zijn om de complexiteit van de baan
en de verwachtingen van de belanghebbenden accuraat te beoordelen. Dat behelst
meer dan het in kaart brengen van de totale omzet of het totale
personeelsbestand. Complexiteit weerspiegelt zich ook in de diversiteit aan
producten en diensten, afhankelijkheden van ontwikkelingen in het ecosysteem,
geografische spreiding van activiteiten, kwaliteitsvereisten in de sector,
risico’s op integriteitsschendingen, etc. Het uitgangspunt bij het vastleggen
van de renumeratie van bestuurders en managers moet er volgens mij op neerkomen
dat er altijd in alle transparantie verantwoording afgelegd kan worden aan de
samenleving, aan klanten of aan kiezers. En dat de argumentatie die gehanteerd
wordt om een verloningspakket te rechtvaardigen, een bredere horizon dient te
hebben dan ‘talent aantrekken kost geld’. Overigens mag het vraagstuk van een rechtvaardige
verloning niet gereduceerd worden tot een dilemma ten aanzien van
topambtenaren. Op alle niveaus in een (overheids)organisatie stelt zich de
vraag naar een verloningsniveau aangepast aan de individuele
verantwoordelijkheden.
Verder vind ik het van belang dat
contracterende partijen zich houden aan gemaakte afspraken. Zoals collega Van
Massenhove (De Standaard 27/08) al terecht stelde “pacta sunt servanda”. De
overheid moet hierbij het voorbeeld geven want anders hypothekeert ze de
legitimiteit van haar optreden in diverse domeinen. Het eenzijdig opschorten
van contractuele verbintenissen is dus onrechtvaardig. Een bijsturing van het
verloningspakket kan perfect verdedigbaar zijn, bijvoorbeeld om de overheidsuitgaven
binnen de perken te houden, maar moet wel onderhandeld worden met de betrokken
topmanagers of doorgevoerd worden n.a.v. een hernieuwing van een mandaat of een
nieuwe aanstellingsprocedure. Ook op dat vlak is het zoeken naar het juiste
evenwicht tussen uiteenlopende rechtmatige belangen.
Het debat over de topbenoemingen en de
bijbehorende bezoldiging wordt vaak te eenzijdig vanuit economische paradigma’s
benaderd, als een kwestie van vraag en aanbod. Nochtans ervaren vele burgers
die toekijken langs de zijlijn vooral een ethische spanning ten aanzien van de
salarissen van topmanagers – en dat geldt zowel voor de publieke als voor de
private sector. Politici of aandeelhouders die knopen doorhakken met betrekking
tot topbenoemingen, mogen hun moreel kompas dan ook niet veronachtzamen. De
houding van de missionaris is misschien al bij al zo slecht nog niet. Als het
gaat om topbenoemingen.
Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder VDAB
Geen opmerkingen:
Een reactie posten