Ik ben een voorstander van de vrije studiekeuze. Laat daar geen twijfel over bestaan. Jongeren moeten kunnen kiezen voor hun eigen ambities, dromen en idealen, zoals u terecht stelt. Een vrije studiekeuze betekent echter ook dat je daarbij over alle informatie beschikt die met die keuze verband houdt. Het aspect arbeidsmarkt is er daar een van, weliswaar niet het enige. Maar ik betwijfel dat kennis over de arbeidsmarkt en jobmogelijkheden voldoende gekend zijn bij wie voor die keuze staat. Laat staan dat jongeren altijd goed kunnen weten wat hen ligt, waar ze plezier en voldoening uit zouden halen als ze later aan de slag zijn.
Veel jongeren maken een keuze op basis van de informatie en
overtuigingen die ze hebben, logisch. Zo blijft studeren in ASO-richtingen vaak
(mede door de overtuiging van ouders) aangeschreven als een ‘hoger goed’ en
beschouwen ze een keuze voor technische richtingen of beroepsonderwijs als een
stap terug. Al te vaak houden jongeren en hun ouders deze deur liefst zo lang
mogelijk gesloten. We vergeten echter al snel dat je bijvoorbeeld na technisch
secundair onderwijs ook verder kan studeren. De overtuiging van ‘een stap
terug’ en de zogenaamde ‘watervalgedachte’ betreur ik ten zeerste, want ook in
deze richtingen kunnen jongeren zich ontplooien, hun talenten (wél) ontwikkelen
én van een algemene vorming genieten. Onderwijs gaat immers niet alleen om
voorbereiden op de arbeidsmarkt die later volgt. Het gaat ook om een brede
vorming tot ‘mens-in-de-wereld’. Daarom wil ik het belang van algemene vorming
ook in technisch of beroepsonderwijs nadrukkelijk onderstrepen.
We zien ook dat studiekeuzes mee
vorm krijgen door andere elementen, media bijvoorbeeld. Getuige daarvan is de
massale toestroom in de hotelscholen sinds een rist tv-programma’s op
verschillende zenders het beroep breed op de kaart zet. Idem in de
dierenverzorging. Zowel in het BSO als in de bachelorsopleiding steeg het
aantal instromers. Niet uitsluitend te verklaren door media-aandacht, maar
deels beslist wel. Ook opvoeding, culturele patronen geven mee richting. We
zien onder andere bij migrantenjongeren een vrij stereotype keuze voor
zogenaamde typische jongens- of meisjesrichtingen. De socio-economische status
van ouders bepaalt ook voor een groot stuk de studiekeuze van kinderen.
De vraag is dus wanneer we echt
van een vrije keuze kunnen spreken? Een keuze die is ingegeven door
bijvoorbeeld kennis van de studie-inhoud, soms ‘gestuurd’ door de omgeving en
eigen of andermans overtuigingen of ook door informatie zoals een brede kijk op
je eigen talent en interesse en juiste en brede informatie over jobkansen?
Jongeren zijn in volle ontwikkeling, moeten veel kunnen ontdekken, ook over
zichzelf, ook hun talentontwikkeling zit in volle beweging. Maar klopt het dan
dat je in een richting stapt waarin je talenten die je wél al kent, weinig tot
niet aan bod kunnen komen ter wille van andere ‘betere’, hoger aangeschreven
richtingen? Wie goed durft en kan kijken naar talent, komt gegarandeerd terecht
in een richting die hem of haar ook goed ligt. En ja, daar wordt de
arbeidsmarkt ook beter van.
Ik beschouw het niet als de taak van arbeidsmarktactoren om
mensen te dwingen om zogeheten ‘arbeidsmarktgerichte’ studierichtingen te
volgen, wel om de jongeren én hun ouders duidelijk te informeren over welke
mensen de arbeidsmarkt nodig heeft en hoe de jobkansen zullen liggen zodat ze
een bewuste keuze kunnen maken. Dat is bijvoorbeeld de taak van de VDAB.
Wie na zijn schoolloopbaan aanspraak wil maken op het
stelsel van werkloosheid, heeft automatisch een aantal rechten en plichten.
Aanvaard je die plichten niet, dan is dat een zaak van vrijwillige
werkloosheid. Wie goed ingelicht was en een grondige, weloverwogen keuze heeft
kunnen maken, moet aanvaarden dat wanneer is gekozen voor een job waarvan je op
voorhand weet dat er weinig of geen jobaanbiedingen zijn, de samenleving niet
eindeloos deze keuze financieel mee kan ‘dragen’. Concreet betekent het niét
dat we van jongeren vragen om een bepaalde jobambitie op te geven, integendeel.
Wel vragen we om de scope van de zoektocht te verruimen en niet alles in te
zetten op onmiddellijk in die ene droomjob aan de slag te kunnen als die zeer
zeldzaam is. We vragen dus het jobdoelwit te verruimen. Zomaar ‘in het wild’
een totaal ander beroep gaan zoeken nadat je je studies toegewijd en met passie
en ambitie hebt afgerond, is ook niet de bedoeling. We gaan daarbij omzichtig
te werk en zoeken naar jobmogelijkheden die goed aansluiten bij wat je al kan,
wat je interesseert. We vragen ook niet om bepaalde competenties overboord te
gooien en op te geven. Neen, we zoeken naar jobdoelwitten waarmee men
competentiegewijze al voeling heeft. In die gevallen willen we jongeren dus
vlug én slim oriënteren naar een job maar dan wel met reële perspectieven. Het
is in mijn ogen dan ook onverantwoord om deze jongeren “werkloos” te houden en
de kosten hiervan op de samenleving af te wentelen. Dat komt noch de jongeren,
noch de arbeidsmarkt noch de samenleving ten goede.
Alles bij elkaar genomen, maak ik me niet veel zorgen over
de mogelijkheden op de arbeidsmarkt voor wie hogere studies afrondt. Die
studenten hebben een uitermate brede vorming gekregen, hebben heel wat bagage
die hen in staat stelt om het stuur van hun loopbaan in eigen handen te nemen.
Ze ontdekken welke jobmogelijkheden er bestaan, wat hen ligt en hoe ze hun
loopbaan vorm kunnen geven. Er zijn gelukkig dankzij ambitie en idealen ook
heel wat mensen aan de slag in jobs die op het eerste gezicht niet bijdragen
aan zuivere economische groei, maar die wel mee vorm geven aan een waardevolle
samenleving, op welke schaal dan ook.
Onze jaarlijkse studie naar
schoolverlaters toont telkens weer dat de overgrote meerderheid van wie hogere
studies afrondt –ook uit de zogenaamde ‘niet-arbeidsmarktgerichte’ studies-
uiteindelijk voet aan de grond krijgt op de arbeidsmarkt, ook al vraagt dit
voor sommigen flexibiliteit om hun plannen bij te sturen, om een algemeen
vormende studie aansluiting te laten vinden bij een concrete job.
Mijn zorg gaat vooral uit naar jongeren uit het secundair
onderwijs. Daar ligt de ongekwalificeerde uitstroom nog veel te hoog. Deze
jongeren krijgen al op veel te jonge leeftijd een enorm zwaar juk om de rest
van hun loopbaan in deze zeer diplomagerichte samenleving mee te dragen. Niet
alleen het diploma speelt een rol, het is vooral zaak dat deze jongeren blijven
geloven in hun kunnen en hun talenten verder kunnen ontdekken, kunnen geloven
in hun kwaliteiten en wat ze nog kunnen leren. Daarom is technisch of beroepsonderwijs
mijns inziens in deze niet alleen een zaak van het ontwikkelen van technische
vaardigheden, maar moet het jongeren ook een algemene vorming bieden, hen ook
leren ‘verder-leren’, ‘leergoesting’ geven, hen maximaal loopbaancompetenties
bijbrengen,... Dit biedt inderdaad meer mogelijkheden om jobs in te vullen op
de arbeidsmarkt, maar maakt de jongere ook sterker als ‘mens-in-de-wereld’. De
aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt verloopt –ook voor wie de eindmeet haalt- soms dermate
moeizaam, dat jongeren de grootste moeite hebben om hun weg naar betaalde
arbeid te vinden. Een betere ‘fit’ tussen onderwijs en arbeidsmarkt helpt
enerzijds om jobs in te vullen, maar helpt ook mensen om hun talenten te
ontwikkelen en met de nodige jobsatisfactie in te zetten in een loopbaan.
Werkgevers schreeuwen om technische profielen in de breedste
zin van het woord: lassers, elektriciens en onderhoudstechnici, om er maar een
paar te noemen. Toch zetten weinig jongeren de stap naar deze beroepen. Wat is
er mis met techniek en technologie? Te vuil? Niet interessant? Niet sexy
genoeg? Jongeren zijn er jammer genoeg te weinig door geprikkeld, terwijl er
35.000 vacatures in techniek open staan. Er spelen ongetwijfeld (achterhaalde)
overtuigingen mee die gebaseerd zijn op stereotypes -onbekend is nog steeds
onbemind, ook als het om beroepen gaat- en maatschappelijke waardering voor
beroepen (te betreuren opdelingen zoals ‘hogere’ vs. ‘lagere’ beroepen of
arbeiders vs. bedienden). Techniek moet je daarom kunnen ontdekken en aan
jezelf kunnen toetsen. Daarom ben ik een voorstander van een brede vorming in
de eerste graad van het secundair onderwijs zoals voorzien in de
onderwijshervorming van de Vlaamse minister van onderwijs. Het geeft jongeren
de kans om breeduit verschillende disciplines te ontdekken. Wie de kans heeft
gehad om bv. te leren om creatief te zijn, om te leren hoe je verbanden legt,
wie ‘leergoesting’, zin voor samenwerking, flexibiliteit e.d.m. heeft
meegekregen, is -ongeacht zijn of haar diploma- én een sterkere werknemer én
een sterkere burger.
Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder
VDAB
1 opmerking:
het verschil tussen bedienden en arbeiders is en blijft de struikelblok bij de erkenning van een job, nochtans wie een "stiel" in de handen heeft, zal altijd wel werk vinden. Hoewel de keuze voor mij zogezegd "genetisch" bepaald was, werd ook ik destijds met deze woorden aangemoedigd.
Een reactie posten